Trots op de maakindustrie?

Henk Kamp doet het, Diederik Samsom doet het en ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid doet het: vanuit alle politieke hoeken wordt de Nederlandse maakindustrie sinds enkele jaren op het schild gehesen. Volgens politici – die geen mogelijkheid onbenut laten om Nederlandse makers lintjes op te spelden – mogen we trots zijn op onze makers en moeten we er met z’n allen voor zorgen dat deze prachtige bedrijven behouden blijven voor Nederland. Volgens een rapport van ING is de Nederlandse maakindustrie niet alleen de grootste exporteur van alle sectoren (62 procent van de totale export komt op hun conto), het is ook de grootste inkoper, met jaarlijks meer dan 60 miljard euro binnen Nederland.

RODE LOPER

Het vestigingsklimaat dient daarom gunstig te zijn voor onze maakbedrijven, want ze houden de Nederlandse economie op gang. Hoe denken de Nederlandse maakbedrijven daar zelf over? Wordt de rode loper daadwerkelijk voor ze uitgerold? Ruim 15 bedrijven uit onze Maakindustrie 100gaven hun mening, hieronder het commentaar van een deel van hen:

KENNIS EN TECHNOLOGIE

Gevraagd naar de kracht van Nederland, noemt tweederde van de ruim vijftien ondervraagden de hoge kennisgraad en de technologische ontwikkelingen. ‘De kracht van Nederland is de aanwezigheid van hoogwaardige technologieën’, zegt Erwin Hissink bijvoorbeeld. Hij is ceo van Kinkelder (63ste), dat jaarlijks 300.000 industriële cirkelzaagbladen naar 70 landen exporteert. ‘De maakindustrie kan goed gebruik maken van elkaars expertise. Daarnaast vormen universiteiten en instituten als TNO een goede aanvulling als kennisbron.’

Ook Frank Theuws, cfo van toeleverancier aan machinebouwers NTS-group (67ste), bewierookt het hoge kennisgehalte in Nederland. ‘De kracht van Nederland voor een maakbedrijf schuilt in de combinatie van een hoog niveau van know-how met een sterke drive om via nieuwe manieren een snellere en betere oplossing te bedenken.’

LANGERE TERMIJN

Niet alleen in Nederland staat de maakindustrie hoog op de agenda. Zelfs president Obama benadrukte vorig jaar in zijn State of the Union het belang van het predicaat ‘Made in America’. Toch peinst Ulbe Bijlsma, algemeen directeur van Stertil Group (82ste), er niet over om zijn hoofdkantoor naar de VS te verhuizen. ‘Naast Kootstertille in Friesland, waar we onze hoofdvestiging en ook de belangrijkste productievestiging hebben, beschikken we over een eigen productievestiging in de USA. Wat opvalt is dat Nederlanders fundamenteler naar uitdagingen en kansen kijken en meer op de lange termijn zijn gericht dan Amerikanen. Ook is ons opleidingsniveau over het algemeen hoger en van betere kwaliteit.’

INFRASTRUCTUUR EN MENTALITEIT

Zeker in het geval van bedrijven waarbij export een wezenlijke rol speelt, is Nederland een goede vestigingsplaats. Zo benadrukt Jeff Mansveld van de global marketing department van Fontijne Grotnes Group (56ste), dat produceert voor de wiel- en pijpenindustrie, het geografische belang van het hoofdkantoor in Rotterdam. ‘Nederland heeft een exportgerichte economie en een goede infrastructuur waarvan we profiteren. Ook op het gebied van personeel biedt Nederland voordelen; de mentaliteit, flexibiliteit met betrekking export en betrouwbaarheid van de medewerkers is een grote pre.’

Andries Verder, ceo van Verder International (2de), dat pompen, luchtcontrole- en vacuümapparatuur produceert, ziet ook voordelen in vergelijking met andere Europese landen. ‘Nederland heeft een goede loonstructuur en een goed technisch opleidingsniveau. Fiscaal en juridisch zijn er de laatste jaren ontwikkelingen doorgevoerd die ons land goed positioneren ten opzichte van buurlanden.’

DEREGULERING IS EEN FARCE

Maar niet alles is goud wat er blinkt. Wim van der Leegte van VDL Groep, een icoon van de Nederlandse maakindustrie, zegt al jaren dat het de verkeerde kant op gaat in Europa en Nederland. Niet zelden voelt hij zich echter een roepende in de woestijn, hoewel hij vanuit de branche wel degelijk bijval krijgt. ‘Hier bij Eska Graphic Board (75ste) hebben we niet echt voordeel van Nederland’, zegt Kees van Zijderveld, algemeen directeur van het bedrijf dat jaarlijks 250.000 ton karton produceert. ‘We ervaren in Nederland veel regelgeving die vertragend werkt en deregulering door de overheid is een farce. Ook wil Nederland altijd de beste leerling uit de klas zijn en verliest het haar concurrentiepositie vaak uit het oog.’

VERLOREN TERREIN

Jacques Melman, managing director van Frames (3de), dat zich heeft gespecialiseerd in de productie van verschillende toepassingen voor de olie-, gas- en petrochemische industrie, vindt dat het handelsklimaat in Nederland wereldwijd erkend wordt door de industrie. ‘Maar als het gaat om fabricage en vakmanschap, dan hebben we als Nederland terrein verloren, wat de maakindustrie op lange termijn sterk onder druk zet. Het vakmanschap is een wezenlijk onderdeel van de maakindustrie en dit is onderbelicht in de Nederlandse samenleving.’

GEEN VOORDELEN MEER

Sommige bedrijven zijn ronduit pessimistisch over het vestigingsklimaat in Nederland, zoals bijvoorbeeld Bronswerk Heat Transfer (100ste), dat zelfreinigende warmtewisselaars en energiebesparende koelsystemen ontwikkelt. ‘Nederland heeft geen eigen afzetmarkt meer voor kapitaalgoederen, heeft geen voorsprong meer op technisch universitair gebied en in regelgeving is Nederland kampioen’, zegt Femke Schaefer-Wering, marketing manager bij Bronswerk Heat Transfer, waar 80 procent van de productie buiten Nederland plaatsvindt. ‘De politiek realiseert zich waarschijnlijk niet hoeveel in het verre oosten geïnvesteerd wordt in opleiding en research. Nederland heeft daardoor geen voordelen meer voor Bronswerk als vestigingsplaats voor de productie.’

Bron: MT.nl