WAAROM VRIJETIJDSACTIVITEITEN BIJDRAGEN AAN EEN BURN-OUT

Burn-outs worden steeds vaker onterecht verklaard door spanning op het werk. Stress kent geen werktijden, aldus columnist Cees Schenk.
Als iemand zich chronisch overbelast voelt, noemen velen dat burn-out en zijn ze geneigd de oorzaak daarvan in de werksfeer te zoeken. Het feit dat mensen met verschijnselen van chronische overbelasting zich ziek melden, wil niet zeggen dat de oorzaak van het ontstaan van de klachten ook meteen aan het werk moeten worden toegeschreven.

De stress die werk oplevert is vaak maar een bijzaak, als we kijken naar de potentiele veroorzakers van spanning.

De ‘slappelingen’ van generatie Y
Met enige regelmaat duiken er in kranten en tijdschriften artikelen op met onheilspellende cijfers over burn-outs. Een extreem aantal mensen rapporteert bij onderzoeken burn-out klachten en de klachten lijken steeds vaker bij jongeren op te treden. Waar voorheen de klachten voornamelijk voor kwamen bij mensen boven de 40 jaar, lijkt de groep onder de 33 jaar – de zogenaamde generatie Y – het kwetsbaarst.

Uit een onderzoek van het CBS uit 2012 blijkt dat zo’n 13 procent van de Nederlandse werknemers last heeft van burn-out klachten. Let wel, zij zijn nog niet uitgevallen uit het arbeidsproces, maar zeker is dat hun werkvermogen duidelijke verminderd is.
Werkvermogen
Werkvermogen is te meten met een vragenlijst, de Work Ability Index. SKB (Stichting Kwaliteitsbevordering van Bedrijfsgezondheidszorg) is een onderzoeksbureau dat is gespecialiseerd in onderzoek naar het functioneren van organisaties en hun medewerkers, stelde vast dat het werkvermogen van de werknemers onder de 34 jaar relatief laag is en de kans op uitval door burn-out klachten juist hoog ligt.

Positieve en negatieve verklaringen
Als dergelijke kenmerken worden gevonden, willen we daarvoor een verklaring hebben. Die ligt voor velen voor de hand. De zogenaamde generatie Y is een verwende generatie, ze kunnen niet doorzetten en geven relatief snel op. Ze missen de ausdauer, zegt de een, waar de ander zeker weet dat ze voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. Niets doen en toch carrière maken.

Ik hoor zelf al decennia niet meer tot deze leeftijdscategorie en toch ben ik geneigd het voor ze op te nemen. Verwend? In zekere zin misschien wel. Deze generatie hoefde doorgaans geen 10 kilometer door weer en wind naar school te fietsen, want als dat wel moest en het motregende dan werden ze wel door een van hun ouders naar school gebracht. Tegelijkertijd heeft deze generatie de boodschap meegekregen dat alles binnen handbereik ligt, als je maar werkelijk wilt. Hoe positief ook bedoelt, dat is geen gering levensmotto.

Alles moet goed – en liefst nog beter
De baan moet perfect, de relatie ideaal, het lijf strak en gespierd, de vakanties ongekend avontuurlijk, de vriendenkring inspirerend en in het weekeinde zuipen en snuiven tot diep in de nacht, omdat het heel erg zou zijn als je het leukste van de nacht zou missen. Kortom, de opdracht waarmee deze generatie is grootgebracht leidt ongemerkt tot uitputting.

In het doorsnee taalgebruik wordt het woord stress vooral gebruikt als de omstandigheden negatief belastend voor iemand zijn. Te hard moeten werken, relatie breuk, verlies van een naaste, maar ook een verhuizing, of de nederlaag van een belangrijke competitie wedstrijd. In werkelijkheid is alles dat meer dan een gemiddelde inspanning vraagt een stressor, of met andere woorden een stressbron. Dus een leven waaraan veel eisen worden gesteld, wordt ook geconfronteerd met relatief veel stress momenten.

Verlammende verwachtingen
De jongste generatie werknemers is met veel te hoge verwachtingen de wereld ingeschopt. Alles moet kunnen, liefst allemaal ook nog tegelijkertijd en op een hoog aspiratieniveau. De meeste spanning komt niet louter uit het werk. Het is de totale optelsom van veeleisende activiteiten die maakt dat de spanning zich opstapelt.

Je zou verwachten dat de jongste generatie werknemers het meeste fut heeft en dus een hoge Work Ability Index, waardoor de bijdrage aan de resultaten van de organisatie bovengemiddeld zijn. Helaas, zoals ook blijkt uit het SBK-onderzoek, leveren die jongeren geen bovengemiddelde bijdrage. Zij zijn heel vaak moe. Niet alleen van het werk zal de werkgever denken, dus wat moet ik daarmee?

Levensmotto wijzigen
De arbeidsorganisaties kunnen er door doelgerichte ondersteuning voor zorgen dat het levensmotto van deze jonge generatie zich wijzigt. Van ik moet alles 100% doen en overal bijzijn, naar leren wat echt belangrijk is en vooral daar de energie in te steken.

Om optimaal en langdurig te presteren is het essentieel om de mentale veerkracht te versterken en de juiste balans te vinden tussen draagkracht en draaglast en inspanning en ontspanning. Dat is goed en snel te leren en werkgevers zouden er veel profijt van kunnen hebben als zij hun medewerkers ( niet alleen de aller jongste) leren hun inzet en ambities zo te richten dat het energie levert in plaats van kost.

Bron: MT.nl

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.